Thursday, May 29, 2008

 
Posted by Picasa Sheep on the Gooi heathlands

Thursday, September 30, 2004

 

GOOILAND & SHEPHERDS - SCHAAPHERDERS

STICHTSE SCHAAPHERDERS IN DE FOUT

In 1999 dook een, tot dan toe onbekend, geschrift op van de 18-eeuwse Huizer schepen Lambert Rijcksz Lustigh. Het geschrift bestond uit 66 bladzijden, hoofzakelijk door Lustigh gemaakte afschriften van allerlei akten.

In een van de zich daarin bevindende afschriften werd melding gemaakt van een gebeurtenis, die plaats vond op vrijdag 30 september 1718. Het had zich afgespeeld op de Gooise heide en de betrokkenen waren Naardense gezagdienaren contra twee schaapherders.
Op genoemde vrijdag stuurde, de Naarder Schout Gerrit Ganseb genaamd Tengnagel, vier van zijn rakkers naar een plek ten oosten van het dorp Hilversum. Naar hem ter ore was gekomen was er weer eens een Stichtse schaapskudde Hollands grondgebied binnengedrongen. De begrazing van de Gooise heide was echter uitsluitend voorbehouden aan de ongeveer 2000 schapen van de lokale erfgooiers. De vier helpers van de schout kregen de opdracht de Stichtse herders met hun kudden op te brengen naar Hilversum. In de buurt van de Hollandse Rading (rading = grens) troffen de rakkers inderdaad twee onbekende herders met hun kudden aan. Direct stevenden ze op een van hen af. Bij het zien van de rakkers floot deze herder op zijn vingers, waarop de hele kudde op hol sloeg, opgejaagd door de herdershond. In een poging de schapen tot staan te brengen, schoot een rakker van de schout op de hond. Hoewel het dier zwaar gewond raakte, trachtte het trouw zijn taak te volbrengen. Later bezweek het arme dier toch aan zijn verwondingen. De in woede ontstoken herder bedreigde de rakkers met zijn herdersstaf en dreef de kudde oostwaarts over de grens. Op Utrechts grondgebied aangekomen was hij veilig, het Naarder gerecht had hier geen bevoegdheid. De herder bleef daar dan ook rustig staan en begon de rakkers de huid vol te schelden. De krachttermen en verwensingen bleken zo verschrikkelijk, dat ze niet in het toenmalige 'proces verbaal' mochten worden opgenomen.
Hierna begaven de rakkers zich naar de tweede illegale kudde. Ook hier floot de herder, zette de kudde in beweging en probeerde met zijn hond te ontkomen. Hasd werd echter vastgegrepen en gedwongen met zijn dieren naar het dorp Hilversum te gaan. Aldaar werden ze in beslag genomen. De herder bleek een knecht te zijn van een zekere Willem Dirksz Smaldaat, de eigenaar van de schapen. Smatdaat werd verordeneerd op te komen draven in Hilversum. Inmiddels was daar ook de Naarder schout aangekomen, hij was bij de Gooise Justitie de hoogste gezagsdrager. De Hilversumse dorpsschout Jan Bitter samen met de buurmeesters Lambert Tijmensz Vlaanderen en Lubbert Boschuizen boden hun bemiddeling aan in deze netelige kwestie. Ze wilden liever geen ruzie tussen de Stichtse en Gooise grensdorpen. Uiteindelijk ging de Naarder schout akkoord met een aan Smaldaat opgelegde boete van 225 gulden. Een aanzienlijke som gelds, waarvoor men in de Gooise dorpen een boerderijtje kon kopen. Smaldaat vertrok huiswaarts, nadat hij had beloofd de volgende dag met het geld terug te komen. Bij zijn terugkeer bleek hij niet over het bedrag te kunnen beschikken. Er was echter ene Cornelis Dirksz die hem het geld voor de tijd van veertien dagen wilde voorschieten. Als waarborg eiste Cornelis de hele kudde op. Moch Smaldaat niet aan zijn schuld kunen voldoen, dan werd de kudde zijn eigendom. Aanvullend moest er ook nog eens vier ducations (zilveren munt ter waarde van 3 gulden) betaald worden voor het twee weken laten weiden van de schapen.

Het incident leidde tot nare gevolgen. Willem Dirksz Smaldaat en Zeeger Hendriksz Schouten, de eigenaar van de ontkomen kudde, beklaagden zich namelijk bij hun Utrechtse overheid.
Zij hingen daar een heel ander verhaal op dan wat de rakkers onder ede hadden verklaard. De Edel Mogende Heeren van de Staten van Utrecht namen terstond contact op met de Naarder schout. Pas een jaar later antwoordde schout en beschreef hij hoe volgens hem de toedracht was geweest.

Uit onderzoek bleek dat het niet alleen de Stichtenaren waren die zich aan grensoverschrijding schuldig maakten. De Gooiers bleken ook heel wat op hun kerfstok te hebben. Ze staken illegaal turf op Stichts grondgebied en smokkelden vee en bier. Als gevolg van deze en andere grensschendingen kregen twee landmeters in 1719 opdracht de Gooi-Stichtse grens voorgoed te bepalen. Om onpartijdigheid en objectiviteit te waarborgen werd het werk gezamelijk uitgevoerd door de Utechtse landmeter Justus van Broeckhuysen en de Hollandse Maurits Walraven. Het resultaat van de opmeting werd opgetekend op een smalle, lange kaart met een schaal van 1 : 2800. Maurits Walraven nam de nieuwe grens op in zijn kaart uit 1723 (schaal 1 : 14.4000) . Hij vermeldde de meting in de titel: GOYLANDT, met de Nieuwe Limiet-schijding tussen Goylandt en het Sticht van Utrecht - volgens de Conventie in de dato July Ao 1719. Om de grens vast te leggen, werden vanaf de 'Leeuwenpaal' (1) in Blaricum om de kilometer (2)
hardstenen grenspalen geplaatst, 22 stuks in totaal. Tot de dag van vandaag zijn deze historische palen (en vernieuwde exemplaren) in de Gooi/Stichtse natuur bewaard gebleven. Ze zijn te bewonderen langs de Hollandse Rading, de huidige provincie grens.
_________________________
Toelichting:
1. Afbeelding 'Leeuwenpaal'

2. Tussenafstand ongeveer 1 kilometer. Grenspalen op de kaart door Walraven ingetekend en de afstand aangegeven in Rijnlandse Roeden.

___________________________
DE OMROEPER. Maart 2005, jrg. 18, nr. 1
F.J.J. de Gooijer
________________________________________________________________

Correspondentie tussen 't Gooi en 't Sticht over de problemen met
de Stichtse schaapherders.

Alsoo gerardus ganseb genaamt tennagel Schout tot Naarden en Stadhoudervan Goylant op heden den 20 Sebtemb: 1719, aen mij overhandigt
Eerstelijk een memorie aen Ed: Mog. Heeren gedeputeerderns der Stadt Haerlem, en andere hoe over Ed: groot mog: gecommiteerdens tot de Saken van Justitie over .... uijt den name, ende van wegens mr. Piter Antoni de Huijbert Heere van Cuijningen en Rillant, drossaert en kasteleijn van Muijden, Ballieuw van Naarden en Goijlant mitsgaders Hoofdofficiere der Stede Weesp, Weesper Carspel en Hoogbijlmer, dienende aen ........

Wegens het voorgevallene op den 30 Sebtember 1718, op de Goijsche Heijde, in het aanhalen en att rapporteren van eene mitsgaders in het vervolgen van een tweede kudde schapen op de selve Heijde toenmaals weijdende aen de andere kant tot een bondige ....... leggende van soodanige extravagantie en onware requistie, met de daan bijgevoegde dednotien en bijlagen als bij eenen Zeger Hendricksz Schouten en Willem Dircksz woonende in de provincie van Uijtregt aen de Heeren Staten van gemelde provincie gepresenteert, en door de selve Heeren Staten wederom aen Hooggemelde haar Ed: groot mog: sijn toegesonden. In de tweeden aen mij overhandigt een Remonstrantie gedaan ...... ende de Ed: groot mog: Heeren Staten van Hollant en Westvrieslant overgegeven bij .... van wegens Burgemeesteren der Stad Naarden, mitsgaders Buijrmeesteren van Laren, Hilversum, Huijsen, Blaricum en Bussum alle dorpen gelegen in Goijlant tot vertoogh van haar soo goet out regt en tot distructie van middelen der requistea... U Ed: groot mog: gepresenteert op de naam van de gemeene ingesetenen van Goijlant, soo is dat ja ondergetek... ter .... wonde omme maar een weijnigh op de memorie die aen de Ed: mog: Heeren gedeputeerdens der Stad Haerlem en aen anderen naar Ed: grrot mog: gecommiteerden tot sake van Justitie overgegeven is, uijt den name en van wegen den voorz Drost van Muijden en Bailliuw van Goijlant Etc. te schrijven
No. 1
Ende alhoewel

No 2


.... dat het met den toedragt van het in questie in desen voege gelegen is dat die van het Stigt van tijt tot tijt sigh niet hebben ontsien omme buijten alle regt, en schuldig op een onregtvaardige wijse (om geen harder benaming te gebruijken) hunne schapen te drijven en te weijden, op het terreijn van Goijlant en aldaar te vourageren het gras en voetsel te velde als sijnde de vrugt en het Dominium utile t gunt die van Goijlant van alle tijden aen die van Goijlant voornoemt is competerende dat des remonstrants Schout en Stadhouder de welke (?) daar van meer en meer wirt geinformeert vervolgens heeft moeten resolveren omme daar jegens, soo veel in hem was te vigileren, dat den dienaar van de Justitie tot Naarden en met nogh drie inwoonders aldaar, om te gaan sien off er geen Stigts schapen op den Hollantschen boedem, en sul.. op het terreijn van Goijlant waren weijdende, met die verdere ordre dat in gevalle sij soo danige schapen aentroffen en magtigh koomen werden, sij deselve souden drijven na Hilversum, dat het daar op wijders gebeurt is, dat gemelde diennar en drie andere personen op het voornoemde Goijlant hebben gevonden weijdende een kudde schapen met desselfs herder, dewelke gehoet wiert, door den knegt van Zeger Hendriksz Schoutten, den eersten suppliant in desen, als mede nogh een tweede kudde toebehorende Willem Dircksz den tweede suppliant in gemelde requisitie, dat daarop den gemelden diender en drie personen wel hebben getragt omme op een sagte wijse sigh van de voornoemde eerste kudde meester te maken, dogh dat den herder sulx merkenden en bewust sijnde dat hij was op den Hollandschen boedem, vervolgens heeft beginnen te fluijten, en door dat gegeven seijn sijne schapen op de loop brengende, ende des selfs hont daar agter

No 3
Drijvende deselve heeft doen schapperen op den boedem van het Stigt, ligtende te gelijk op een schielijke wijse jegens de voornoemde dienaar van de justitie sijn herders schup op, met een genoegsame klaarblivende intentie omme den voornoemden dienaar daar mede te keer te gaan, dat daar op den voornoemde dienaar afwijkende en die onbetamelijke manier van doen van den gemelden herder siende en het ontlopen der gemelde schapen tragtende te beletten vervolgens na den voortdrijven den hont geschoeten heeft dogh buijten effect, dewijl den hont (schoon geraakt sijnde) met gemelde schapen is voortgelopen, en het den remonstrant, soo wel als desselfs voornoemde Stedehouder onbekent is gebleven of den voornoemde hont daaraan naderhant gesturven soude wesen, of niet, dat wijdersden gemelde herder sijne schapen geschappeert sijnde , digh daarop mede op de loop begeven heeft, zijnde op den Stigsen boedem gekoomen sijnde, depetulantie quaataerdigheijt gehadt heeft, van op een seer vertivende en canaillieuse wijse (de welke alhier respecthalve sal werden gemenageert te uijten) den voornoemde dienaar en verdere personen uijt te tarten en te beschimpen, en daarop alde voornoemde personen sigh hebben begeven naar de tweede kudde, ende den daar bij sijnde herder beleefdelijk aengesproken hebbende, den selve, (omme soo veel mogelijk was alle violentie te eviteren) onder een prete...t, en vrage of hij geen schapen van eenen soo genaamden Elias bij sigh hadde, hebben geinduceert om sijne schapen naar het dorp Hilversum te drijven, met dat zucces, dat of wel den gemelden herder gewaar wordende, dat een van gemelde vier personen den dienaar van Justitie van Naarden was, ende siende dat hij sigh geattrappeert bevont de voornoemde schapen door het fuijten op sijn vingers wel mede op de loop gebragt, en die gaarn insgelijks gesalveert hadde, den voornoemden dienaar met de bij sigh hebbende personen echter t selve belet, en de voornoemde kudde schapen behouden naar Hilversum gedreven hebben, dewelken des remonstrants voornoemde Stadthouder aldaar belast heeft wel te bewaren sonder datt et in dien geheelen toedragt van saken eijts onbehoorlijks jegens gemelden herder

N0 4
ofte desselfs schapen is gedaan of ondernoemen geworden. Soo als U Ed: mog: dat alles uijt de beedigde verklaringen van gemelde vier personen als consonanti getuijgen hieragter gevoegt Sub. no. 1 en weder sprekelijk bewaarheijt sullen vinden en gelijk dit nu is de eenvoudige en warachtige toedragt van saken ontrent het exploit selfs in het aanhalen en in versekering nemen der bovengemelde schapen, soo gelieven U Ed: mo" ontrent het geene daar op verder in het doen der calangie door des remomtrants gemelden Schout en Stedehouder geschiet is mede geinformeert te sijn dat den voornoemde herder (wetende dat hij geprobeert hadde, en dat vervolgens afmaken met den officier hem verre het beste was) daar toe heeft geimploijeert de tussenspraak van Jan Bitter Schout van Hilversum mitsgaders van Lambert Tijmens Vlaanderen en Lubbert Boschuisen buijrluijden en out raden aldaar als goede mannen den welken het dan ook soo verre hebben gebragt dat den remonstrants Stedehouder genoegen heeft genomen met een somme van 225 guldens, behalven de kosten daar over gevallen, onder conditie dat den voornoemden tweeden suppliant aan wien schapen selfs toebehoorenden het gelt van Huijs of elders sou gaan halen, in dit selve des anderen daags voldoen, en dat voornoemde schapen in het gemelde dorp Hilversum inmiddels in bewaring soude blijven, dat daar op den gemelden tweede suppliant genaamt Willem Dirksz Smaldaat sigh naar huijs begeven hebbende, en des anderen daags weder gekoemen sijnde voorgevende heeft, dat hij geen gelt hadde komen bekoemen, dogh dat hij hadde gevonden seker persoon met name Cornelis Dirksz de wel voor hem gemelde penn. soude schieten, soo als ook den voornoemde Cornelis Dirksz aennam, dogh dat dewijl den selven de voornoemde penn. maar soude leenen voor den tijt van 14 dagen, ende hij Cornelis Dirksz daarvoor ook wilde hebben een behoorlijke securiteijt den selve met den voornoemde Smaldaat door tussen spreken van gemelde goede mannen alsmede is geconvenieert dat den selven Cornelis Dirkszs gedurende den voornoemden tijt de gemelde schapen in sijn beheeringen soude blijven behouden, en dat in gevalle hij Smaldaat aen den voornt. Cornelis Dirksz de voornoemde geleende penn. mitsgaders vier ducations voor het weijden der selver schapen en t verschieten van t gelt binnen 14 dagen niet quam t voldoen en te restitueren, desselve schapen als dan in volkoemen eijgendom aen hem Cornelis Dirksz souden toebehoren, dat wijders den voornoemde Smaldaat selfs mitsgaders den gemelden Cornelis Dirksz benevens de bovengenoemde goede mannen om des te meerder securiteijt den selven Cornelis Dirksz te doen hebben de remonstrants voornoemde Stedehouder hebben versogt en geindieceert, dat hij nota proforma, soude willen sommeren en tekenen een acte van conscacatie en verkopinge

No 5
der gemelde schapen aen den voornoemde Cornelis Dirksz, opdat daar door quafi, desselfs regt op de voornoemde schapen te bekragtigen en ten widentie sou de maege sijn, en de daar altoos te konnen consteren, dewijl den selven Cornelis Dirksz bij de schapen niet konnende blijven maar sijn gefet van Amersfoort moetende halen, de schapen egter uijt het schot gelaten en ter weijden gedrevennoeste werden en eijdelijk dat den voornoemde Smaldaat den tweeden suppliant in desen binnen de voornoemden tijt van 14 dagen, niet alleen aan den voornoemde Cornelis Dirksz het geavanceerde gelt volgens conditie gerestitueert en sine schapen weder na sigh genoemen, maar dat hij ook betuijgt heeft, dat hij ook over het bovengemelt accoort mitsgaders het gehouden gedragen

______________________________
Transcriptie : F.J.J. de Gooijer
_________________________________________________________________
Mailtje van de heer P. Piekema - gemeentearchief Soest - onderwerp 'Schaapherders Soest'
Soest 4 augustus 2003.

Met interesse heb ik uw artikel over de schaapherders gelezen. De naam Schouten kwam in Soest in de 18e eeuw veel voor. Op blz. 106 Eemlandse klappers dopen Soest heb ik gevonden bij de dopen RL parochie Soest: 10 kinderen van Peter (zoon van Seeger Hendrikse Schouten en Barber Peeterse Rught) en Peetertie (dochter van Art Volker Schauten en Annitie Jans) De huwelijksdatum is niet bekend - het eerste van de genoemde kinderen werd op 18-10-1728 gedoopt. De familie woonde aan het Lang End . Het is de enige Seeger Hendrikse Schouten die ik in de Eemlandse klappers terzake Soest heb aangetroffen. Of de vader van Peeter Schouten daadwerkelijk schaapherder was is niet bekend, maar is zeker niet uit te sluiten, want er waren in Soest nogal wat schaapherders. En die zullen vast wel hun schapen hebben laten knabbelen aan de Gooise heide. Ik zal uw vraagstelling aan een van onze vrijwilligers, die zich met genealogie bezig houdt, voorleggen. Als aangetoond zou kunnen worden dat het om dezelfde persoon gaat, lijkt het verhaal interessant genoeg voor publicatie in tijdschrift "Van Zoys tot Soest" van onze historische vereniging. De naam Smaldaat kwam in Soest niet voor - ik heb die nog nooit aangetroffen.
______________________
Afbeelding:
Erfgooier met schaapskudde op de Gooise heide.
http://www.teylersmuseum.nl/img.db?9366

_________________________________________________________________
Gooiers Web Site

Gooiland, Gooiers & Erfgooiers

Mail

Guestbook - Gastenboek

Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl
_____________________________________________________________________

Labels:


This page is powered by Blogger. Isn't yours?